Rookstopbegeleiding

  • Rookstopbegeleiding volgens de strategie van de vijf A’s.

    • Ask: Rookgedrag identificeren en documenteren voor alle patiënten bij elk contact.
    • Advise to quit: De patiënt aanmoedigen om te stoppen met roken met behulp van een duidelijke, kordate en gepersonaliseerde boodschap.
    • Assess willingness to make a quit attempt: De wil van de patiënt om te stoppen met roken evalueren en versterken.
    • Assist quit attempt: Aan rokers de nodige farmacologische ondersteuning bieden om te stoppen met roken.
    • Arrange follow-up: Een opvolgconsult voorzien, liefst in de week na de start van de rookstop.

    ASK: Identificeer het rookgedrag

    Het is aanbevolen om van elke patiënt de rookstatus te kennen en zeker bij hoogrisicogroepen zoals zwangere vrouwen, COPD-patiënten en personen met een hoog cardiovasculair risico.

    Bij elke roker bevraagt de arts het rookgedrag systematisch, dus ook als de roker zelf geen vragende partij is:

    • Gaat het om een roker, ex-roker of niet-roker?
    • Hoeveel sigaretten/dag rookt hij/zij?
    • Op welke leeftijd is hij/zij begonnen met regelmatig te roken (vanaf 1 sigaret/dag)?
    • Op welke dag is de ex-roker gestopt met roken?
    • Zijn er vorige stoppogingen, positieve punten, motieven voor herval?
    • Hoe afhankelijk is de roker (fysiek, gedragsmatig en psychologisch):
      • fysiek: is de ‘time to first cigarette’ minder dan 30 minuten na het ontwaken?
      • gedragsmatig: rookt de patiënt vanuit een positieve (het roken geeft hem fysiek en psychisch een goed gevoel) of vanuit een negatieve bekrachtiging (de vorige sigaret is uitgewerkt en dit geeft ontwenningsverschijnselen)?
      • psychisch: zijn er aanwijzingen voor een eventuele onderliggende angst of depressie?

    ADVISE: Geef elke roker rookstopadvies

    De arts geeft rookstopadvies op een duidelijke, kordate en empathische manier en op maat van de patiënt:

    • Duidelijk: ‘Ik raad u aan om te stoppen en ik kan u daarbij helpen.’
    • Kordaat: ‘Het belangrijkste dat u voor uw gezondheid kunt doen, is stoppen.’
    • Empathisch: het advies is niet confronterend.
    • Op maat: leg een verband met de huidige gezondheidstoestand van de patiënt en/of de impact van het roken op zijn kinderen of personen in zijn omgeving.

    ASSESS: Evalueer en versterk de wil van de patiënt om te stoppen

    In welke fase van gedragsverandering zit de patiënt? (klik hier)

    Stel hiervoor de volgende vraag: ‘Wilt u stoppen met roken?’

    Als de patiënt niet wil stoppen, bevindt hij zich in de precontemplatiefase (‘tevreden’ roker). Tracht hem naar een volgende fase van gedragsverandering te brengen (naar ‘twijfelende’ roker). Doe dit aan de hand van informatie die persoonlijk op de patiënt betrokken is.

    Als de patiënt wel wil stoppen met roken maar dat pas over meer dan zes maanden ziet gebeuren, bevindt hij zich in de contemplatiefase (‘twijfelende’ roker). Een motivatiegesprek is zinvol, bijvoorbeeld aan de hand van de ‘minimale interventiestrategie’. Dit is een individueel gesprek van ongeveer tien minuten tijdens twee afzonderlijke contacten. Het gesprek maakt geen deel uit van een consultatie voor andere gezondheidsredenen.

    Als de patiënt wil stoppen in de komende zes maanden, bevindt hij zich in de preparatiefase (de roker maakt zich klaar om te stoppen). Moedig hem aan om een poging te ondernemen.

    Als de patiënt zich voorbereidt om te stoppen, bevindt hij zich in de actiefase. De arts helpt de stopklare roker met het opstellen van een rookstopplan. Naast de psychologische ondersteuning kan de arts een medicamenteuze behandeling aanbieden.

    Op www.motiverentotrookstop.be vindt de huisarts praktische ondersteuning om de patiënt te motiveren tot rookstop.

    ASSIST: Ondersteun de roker die klaar is om te stoppen

    Help de patiënt met het opmaken van zijn rookstopplan.

    • De patiënt kiest een rookstopdatum: idealiter binnen de twee weken na deze consultatie.
    • De patiënt informeert zijn familie, vrienden en collega’s van zijn beslissing en vraagt hun begrip en steun.
    • De patiënt voorziet een oplossing voor mogelijke moeilijkheden bij het stoppen, ook voor de effecten bij onthouding van nicotine.
    • De patiënt zorgt ervoor dat zijn omgeving rookvrij is. Vóór de rookstop vermijdt hij te roken op plaatsen waar hij veel komt: thuis, auto, werk.

    Geef praktisch advies. Versterk het probleemoplossend vermogen van de patiënt en help copingmechanismen te ontwikkelen.

    • Onthouding: volledige rookstop is essentieel. Geen enkele trek na de rookstopdatum.
    • Anticiperen op triggers en moeilijkheden: bespreek met de patiënt methoden om het hoofd te bieden aan deze moeilijkheden.
    • Alcohol: moedig de patiënt aan om alcoholgebruik te stoppen of te beperken tijdens de rookstopperiode, want alcoholgebruik is vaak verantwoordelijk voor rookherval.
    • Andere rokers in huis: stoppen met roken gaat moeizamer als er thuis andere rokers zijn.

    Bied ondersteuning in het kader van de behandeling.

    • De arts biedt een medisch kader aan om de roker te ondersteunen in zijn rookstoppoging: mijn collega’s en ik zijn bereid u te helpen’, opvolgconsulten, beschikbaarheid,…

    Zoek met de patiënt sociale ondersteuning buiten de behandeling.

    • De arts helpt de patiënt om sociale ondersteuning te ontwikkelen tijdens zijn rookstoppoging: ‘vraag aan uw partner of echtgenoot, uw vrienden, uw collega’s om u te steunen tijdens uw rookstoppoging.’

    Bespreek met de patiënt de mogelijkheid van medicamenteuze ondersteuning, steeds in combinatie met psychologische begeleiding.

    • Vooraleer de arts medicatie voorschrijft, maakt hij een individuele winst-risicobalans op.
    • Is medicamenteuze ondersteuning aangewezen, dan zal varenicline de voorkeursmolecule zijn. Dit is significant effectiever dan elke vorm van nicotinesubstitutie, bupropion of stoppen zonder medicamenteuze ondersteuning. Een combinatie van producten heeft geen meerwaarde.
    • Kiest de arts of de patiënt voor een andere molecule, dan zijn zowel bupropion als nicotinesubstitutie in al hun vormen effectiever dan placebo.

    ARRANGE FOLLOW-UP: Voorzie opvolgmomenten

    Voor gestopte rokers moet de begeleiding verder reiken dan het rookstopmoment. Het risico op herval is 80% tijdens het eerste jaar. Dit herval is normaal en inherent aan de chronische afhankelijkheid of verslaving.

    Samen met de ex-roker wordt een follow-upplan opgesteld. Een vervolgconsult in de week na de start van de rookstop en een volgend consult binnen de maand zijn aanbevolen. Ook nadien is follow-up nodig.

    Mogelijke methoden in de follow-up zijn: beoordeling van de onthoudingstatus of van het herval; evaluatie en ondersteuning van de motivatie; opsporing van fysieke, psychologische en gedragsmatige problemen; bijsturing van de medicamenteuze behandeling. Een hervalanalyse laat toe de slaagkans van een volgende poging te bevorderen.

    Doorverwijzing

    De huisarts kan zijn patiënt-roker doorverwijzen naar een erkend tabakoloog, rookstopcoach, tabakstoplijn of rookstopconsulent. Informatie (ook over de terugbetaling) is terug te vinden via www.vlaanderenstoptmetroken.be.

  • diagram-rookstop

  • Richtlijn

    Dossier

  • Vraag

    • (vraag 6) Rookt u?

    Verwerking

    • Indien vraag 6 positief: rookstopadvies